Atlantische eilanden van Antarctica tot de tropen

Korte beschrijvingen van de eilanden die bezocht worden met de Atlantic Odyssee. De Zuid-Shetlandeilanden, Elephant Island en Tristan da Cunha worden uitvoeriger beschreven in mijn boeken over deze eilanden (In de Voetspo- ren van Shackleton en Het Waterhoentje van Tristan da Cunha).

Eilandmenu


Zuid-Shetland Eilanden

De Zuid-Shetlandeilanden zijn van vulkanische oorsprong, maar oud genoeg om ook sedimenten te dragen, zelfs met fossielen. Ze vormen het zuidelijk deel van de Scotiaboog, de eilandenboog die vanaf de zuidpunt van Zuid-Amerika naar Antarctisch Schiereiland loopt, via South Georgia, de Zuid-Sandwicheilanden en de Zuid-Orkneyeilanden.

De eilandenreeks loopt evenwijdig aan de noordwestkust van het Antarctisch Schiereiland. De meeste liggen op één rij: van zuidwest naar noordoost Low, Snow, Livingston, Greenwich, Roberts, Nelson en King George Island, het grootste van allemaal. Dan volgen na een gat van 200 km Elephant Island en Clarence Island. Low, Snow, Roberts en Nelson Island zijn laag en geheel overdekt met een vlak verlopende koepelvormige ijskap, die aan alle kanten tot in zee reikt. Slechts hier en daar is een klein stukje kust ijsvrij, waar een oplopende heuvel de gletsjers dwingt naar links en rechts uit te wijken en aan beide kanten te passeren. Voor de rest bestaat de kustlijn uit ijsmuren, waar voortdurend onder donderend geraas brokken afkalven.

Livingston, Clarence en Elephant Island zijn steiler en hoger en kennen daardoor ook in het binnenland ijsvrije berghellingen. Livingston Island heeft de hoogste bergen (2400 m) en is zeer grillig gevormd. Clarence is niet meer dan één zeer steile berg, 1900 m hoog, met aan één zijde een vrijwel loodrechte wand die bijna tot aan de top doorloopt. Elephant Island heeft een aantal bergtoppen, waarvan de hoogste ruim 900 m is.

King George Island is wel groot, maar niet zo hoog (6-700 m). Het is net als de lage eilanden geheel overdekt door een ijskap, maar daar steken op diverse plaatsen kale rotspunten bovenuit. Bovendien is de kustlijn zeer grillig en op sommige plaatsen diep ingesneden. Er zijn op allerlei plaatsen ijsvrije hoeken en veel beschutte fjorden, en aan de zuidwestpunt ligt een groot vlak ijsvrij schiereiland, ideaal voor de aanleg van een vliegveld. Dit maakt King George Island tot een ideaal woonoord en het is dan ook een van de dichtstbevolkte streken van Antarctica. Hier wonen Chilenen, Argentijnen, Ecuadorianen, Uruguayanen, Peruvianen, Brazilianen, Polen, Russen, Chinezen, Koreanen en Amerikanen. Niet zo heel lang geleden woonden er ook nog Engelsen en (heel eventjes) Italianen. De Chilenen en de Argentijnen rekenen allebei de eilanden tot hun territorium, maar de Chilenen hebben op King George de beste positie: zij hebben het vliegveld bij hun basis, die tevens de grootste is. Wie op een van de andere bases iets krijgt wat te serieus is voor de eigen dokter, komt in het Chileense ziekenhuis terecht. De Polen en de Brazilianen krijgen hun post aan huis bezorgd door de Chileense helikopter. Dat de Engelsen de Zuid-Shetlandeilanden als Brits grondgebied beschouwen, speelt hier voor niemand eigenlijk een rol.

Tussen de eilandenreeks en het vasteland loop een scheur door de oceaanbodem, evenwijdig aan de eilanden. Op drie plaatsen zijn hier vulkanen ontstaan: Bridgeman, tussen Elephant Island en King George in, Penguin Island, pal tegen de zuidkust van King George Island, en Deception Island, ten zuiden van Livingston. Deception is hoefijzervormig, met in het centrum een beschutte baai. Sommigen menen dat het hele eiland één grote caldera is. Anderen menen dat de hoefijzervorm toeval is en dat de ring bestaat uit een keten van tegen elkaar aan liggende kleine vulkanen. Er is actief vulkanisme: in 1970 is er een echte uitbarsting geweest en het is nog steeds zo dat je op het strand een heet bad kunt nemen door bij laagwater een kuil in het zand te graven en die vol te laten sijpelen met smeltwater.

De Zuid-Shetlandeilanden zijn vrijwel helemaal met ijs bedekt. Slechts twee tot drie procent van het land is ijsvrij. Meestal zijn dit stukjes kust. Hier concentreert zich dus al het leven: pinguïns, zeehonden en de bewoners van de diverse bases.



Elephant Island

Elephant Island is een van de oostelijkste eilanden van de Zuid-Shetlands. Het is 60 km lang en 40 km breed, en net als de andere eilanden groten- deels met ijs bedekt. Flora en Fauna zijn ongeveer hetzelfde als op de andere eilanden in de regio, maar Elephant Island is een plaats met historische betekenis. Hier is Sir Ernest Shackleton met al zijn mannen geland, nadat in de Weddellzee zijn schip, de Endurance, ten onder was gegaan. In een versterkte reddingssloep stak hij over naar South Georgia, om hulp te halen. Na een verschrikkelijke tocht landde hij op de zuidkust en moest toen het hele eiland nog te voet oversteken, over gletsjers en hoge bergpassen, om de Noorse walvisvaardersnederzetting Stromness te bereiken. Schepen die naar Elephant Island gestuurd werden om de anderen te ontzetten, moesten drie keer onverrichterzake terugkeren vanwege de ijscondities. Door een wonder slaagde een vierde poging, waarbij iedereen veilig en wel van het eiland af werd gehaald.

Bij Stinker Point, aan de zuidwestzijde van het eiland, bevind zich een kleine inham die Wreck Bay wordt genoemd. Hier liggen wat restanten van een vergaan schip (ik ben daar in 1988 geweest en ik heb ze gezien). Pas in 1998 herkende men in deze wrakstukken de mogelijke overblijfselen van Shackletons Endurance!



South Georgia, Bird Island

South Georgia ligt ongeveer 1000 km ten oosten van de Falkland Eilanden, in de noordoosthoek van de Scotiaboog. Hoewel het zo ongeveer op de zelfde breedtegraad ligt als de Falklands, is het er veel kouder. Het eiland is grotendeels met gletsjers bedekt, hoewel op zeeniveau grote delen overdekt zijn met een weelderige grasvegetatie. Het eiland is bergachtig, met vele toppen van meer dan 2000 m. De kust is diep ingesneden en talloze fjorden lopen een heel eind landinwaarts. South Georgia is een groot eiland, met een lengte van zo'n 200 km. De fjorden, pieken, gletsjers die tot in zee lopen, en de frisgroene kapen maken South Georgia tot een plaats van uitzonderlijke schoonheid. Het wordt wel de Himalaya van de Zuid- Atlantische Oceaan genoemd. Bovendien krioelt het er van de dieren. Het beroemdst zijn wel de elegante koningspingučns, die er in enorme kolonies broeden, en de majestueuze reuzenalbatros.

Tristan da Cunha, Gough, Nightingale, Inaccessible

Tristan da Cunha (37 graden ZB, 12 graden WL) ligt ongeveer halverwege Kaapstad en Buenos Aires in het leegste stuk oceaan ter wereld, op het randje van de Roaring Forties. De archipel bestaat uit het hoofdeiland Tristan da Cunha met zijn twee satellieten Inaccessible en Nightingale, en het 400 km zuidoostelijker gelegen Gough. Tristan is een cirkelronde vulkaan met een middellijn van elf kilometer en een hoogte van ruim 2000 meter. Aan alle zijden rijzen bijna loodrechte wanden uit zee op, tot een hoogte van 300-600 meter. Aan de voet van de wand liggen enkele lage plateaus. Het grootste hiervan is zes kilometer lang en ruim een halve kilometer breed. Hier wonen de 300 eilanders in een dorpje dat Edinburgh heet, maar met 'The Settlement' wordt aangeduid.

Tristan is in 1506 door de Portugezen ontdekt, in de zeventiende eeuw herhaaldelijk door Hollanders bezocht en uiteindelijk in 1816 door de Engelsen gekoloniseerd. Net als op Ascension werd er op Tristan een Brits garnizoen gelegerd om te verhinderen dat de Fransen daarvandaan zouden proberen Napoleon van Sint-Helena te bevrijden. Toen het garnizoen zich in 1918 terugtrok bleef Korporaal Glass met vrouw, kinderen en twee vrienden achter. Avonturiers en schipbreukelingen voegden zich bij hen en er werden vrouwen van Sint-Helena gehaald, die een flinke portie Afrikaans bloed meebrachten. Veel huidige Tristanieten hebben Europese gelaatstrekken gecombineerd met een donkere huid. De eilanders leven van aardappelen, schapen, postzegelverkoop en kreeftenvisserij.

Tristan heeft een koel, winderig en nat klimaat. De vegetatie is weelderig groen en bestaat in hoofdzaak uit grassen, mossen, varens en struikgewas. Tristan zelf is ten gevolge van de menselijke bewoning arm aan zeevogels geworden. Des te meer zijn er te vinden op de onbewoonde eilanden Inaccessible en Nightingale, zo'n 40 km ten ZW van Tristan. Op Nightingale, dat een middellijn van slechts anderhalve kilometer heeft, nestelen enkele miljoenen paren grote pijlstormvogels, samen met vele duizenden rotspinguïns, geelsnavelalbatrossen, roetkopalbatrossen en nog ruim een dozijn andere soorten zeevogels. Daarnaast leven er twee endemische vinkensoorten en een lijster. Op Inaccessible broedt bovendien de 'Inaccessible flightless rail', de kleinste niet-vliegende vogelsoort ter wereld. Inaccessible is in 1994 tot integraal natuurreservaat verklaard. Op Nightingale mogen de eilanders nog eieren en jongen van pijlstormvogels oogsten.

Hoewel Gough minder dan 400 km van Tristan verwijderd is, valt er tweemaal zoveel regen, is het er koeler en waait het er een stuk harder. Dat komt omdat de subtropische convergentie, een scherpe klimaatgrens in volle zee, een groot deel van het jaar precies tussen de twee eilanden door loopt. Toch zijn flora en fauna op Gough nagenoeg identiek aan die van de andere eilanden van de Tristangroep. De kust van Gough is zeer grillig en ontoegankelijk, met kliffen die tot 900 meter hoogte reiken. Er is een Zuidafrikaans permanent bemand weerstation. Gough Island is in 1976 in zijn geheel verklaard tot Wildlife Reserve in de hoogste beschermingscategorie. Naast miljoenen zeevogels broeden er een aparte vinkensoort en een niet- vliegend waterhoen. Een soortgelijk waterhoen leefde in de vorige eeuw op Tristan. Van de waterhoentjes die tegenwoordig op Tristan gevonden worden is nog niet duidelijk of dit oorspronkelijke Tristanhoentjes zijn of geïmporteerde Goughhoentjes.

Op de stranden van de eilanden van de Tristangroep leven zeeolifanten en pelsrobben, waarvan de populaties zich na slachtingen in de vorige eeuw geleidelijk herstellen. In de ondiepe wateren rond de eilanden baltsen zuidkapers.

Administratief vallen Tristan en Gough onder de Britse kolonie Sint-Helena. Tristan kan alleen per schip bereikt worden. Meestal kan dit zo'n zes keer per jaar.



Sint-Helena

Sint-Helena (16 graden ZB, 6 graden WL) ligt midden in de Zuidelijke Atlantische Oceaan, ongeveer 2000 km ten noorden van Tristan da Cunha en ongeveer even ver verwijderd van de Afrikaanse westkust. Het eiland meet 10 bij 17 kilometer en is sterk geaccidenteerd. Van oorsprong was het een groen, dichtbebost eiland, maar sinds de ontdekking door de Portugezen in 1502 is de oorspronkelijke vegetatie door geïmporteerde geiten en konijnen nagenoeg geheel verwoest.

Dankzij het prettige klimaat en de gunstige ligging werd Sint-Helena in de zestiende en zeventiende eeuw een belangrijk verversingsstation voor OostindiČvaarders op de terugreis naar Europa. Daarnaast was het eiland door zijn geïsoleerde ligging geschikt voor ballingen, waarvan Napoleon wel de beroemdste is geweest.

Op Sint-Helena wonen ruim 5000 mensen, meest in de enige stad Jamestown, die schilderachtig ligt ingeklemd in een nauwe vallei aan zee. Veel inwoners stammen af van voormalige slaven, maar er zit ook veel Aziatisch en Europees bloed in de bevolking. Het eiland is sinds 1653 een Britse kolonie. De Nederlanders namen het weliswaar in 1673 in beslag, maar de Britten heroverden het eiland nog dat zelfde jaar.

Op zeeniveau valt er weinig regen (ca 200 mm), maar met de hoogte neemt de neerslag snel toe. De onderste 300 m van het eiland zijn zeer droog en bieden haast een woestijnachtige aanblik, maar daarboven, tot de ruim 800 m hoge top, is het eiland fris groen, ook al is de oorspronkelijke vegetatie vrijwel geheel vervangen door uitheemse gewassen.

De meeste van het handjevol soorten landvogels is ingevoerd (ook de bekende Sint-Helenafazantjes - een estrildesoort uit West-Afrika). De enige inheemse landvogel is de endemische 'wirebird', een pleviertje dat nauw verwant is met de Afrikaanse herderplevier. Wirebirds worden vooral aangetroffen op door vee begraasde hoogvlaktes.

Ook van de zeevogelfauna van Sint-Helena is weinig overgebleven. Hier en daar zijn langs de klifkusten kolonies noddy's en keerkringvogels te vinden en op sommige vrijstaande rotspunten komen nog kleine aantallen rotspelikanen voor. De elegante witte sterntjes (fairy tern) hebben zich in de stad gevestigd en broeden op richeltjes van de ramen van de kerk in Jamestown.

Sint-Helena heeft geen vliegveld. De enige officiële verbinding met de buitenwereld is per schip, met de RMS 'St. Helena', die het eiland op weg van Cardiff naar Kaapstad zesmaal per jaar aandoet. Er is geen haven. Passagiers worden in sloepen naar de kade geroeid. Als er veel deining staat is dit niet eens mogelijk.

De RMS 'St. Helena' vaart ook op Ascension en doet een of twee maal per jaar Tristan da Cunha aan.



Ascension, Boatswain Bird Island

Ascension ligt 1100 km ten noordwesten van Sint-Helena, op minder dan acht graden ten zuiden van de evenaar. Het is een door de zon geblakerd vulkanisch eiland, waar op het eerste gezicht geen sprietje groen te bekennen valt. As, lava en sintels wisselen elkaar af in bonte kleurschakeringen. Pas bij nadere beschouwing blijkt dat niet het hele eiland uit woestijn bestaat. Net als op Sint-Helena neemt de neerslag (veelal in de vorm van nevels) met de hoogte toe. Boven 500 m is het eiland groen en boven 700 m zelfs vruchtbaar. Het eiland is ruim 900 m hoog.

Net als Sint-Helena is Ascension in 1502 door de Portugezen ontdekt, maar omdat het zo dor en droog was is het nooit van belang geweest als verversingsstation voor Oostindiëvaarders. Wel zijn ook hier onmiddellijk geiten en konijnen losgelaten, waardoor de oorpronkelijke vegetatie totaal verwoest is.

Net zoals op Tristan is op Ascension in 1815 een Brits garnizoen gelegerd om Napoleon op Sint-Helena te 'bewaken'. Maar wegens de strategische ligging midden in de tropische Atlantische Oceaan is deze bezetting gebleven, ook na de dood van Napoleon.

In 1899 kreeg Ascension een centrale positie in de wereldcommunicatie, door de aanleg van telefoonkabels over de Oceaanbodem van Kaapstad naar Engeland, via Sint-Helena, Ascension en de Kaapverdi- sche Eilanden. Er werden ook directe kabels gelegd van Ascension naar Sierra Leone in Afrika, en naar Rio de Janeiro en Buenos Aires. Het eiland bleef een militaire post tot 1922, toen het een onderhorigheid van Sint-Helena werd en het beheer werd overgedragen aan Cable & Wireless Ltd, die de kabels (en later ook radioverbindingen) exploiteerde. Later kwam daar nog de BBC bij en middels contracten met de VS ook de US Air Force en NASA. In het vlakke zuiden werd een vliegveld aangelegd, dwars door een enorme kolonie van de bonte stern. De sterns hebben zich vreedzaam een eindje verderop gevestigd.

Hoewel Ascension vanaf 1815 permanent bewoond is geweest, heeft het nooit permanente bewoners gehad. Er waren alleen contractanten en hun familieleden. Dat gold zelfs voor de boerderij die hoog in de groene bergen was gevestigd om de andere bewoners van verse groenten te voorzien.

Ascension heeft ooit miljoenen broedende zeevogels gehad, maar die zijn door mis-management practisch allemaal verdwenen. Alleen de guanoafzettingen resteren ons nog. Met de soldaten kwamen al spoedig na 1815 ratten mee. Om die te bestrijden voerde de marine katten in, die onmiddellijk verwilderden en zich op de zeevogels stortten. Om de katten te lijf te gaan werden honden ingevoerd, die op alles joegen behalve katten. Het resultaat was een totale uitroeiing van bijna alle zeevogelsoorten. Alleen de bonte sterns ('wideawakes' - Ascension heet ook wel 'Wideawake Island') wisten zich te handhaven, dankzij het feit dat zij het eiland twee maanden per jaar totaal verlieten, waardoor ze de katten een zo magere tijd bezorgden dat die daardoor schaars genoeg bleven.

Op Ascension komen geen inheemse landvogels voor. Wat er nu rondvliegt is ingevoerd. In vorige eeuwen kwam er een niet-vliegend ralletje voor, nauw verwant met de Inaccessible flightless rail, en dat alleen bekend is van een beschrijving uit een reisverslag van 1656 en skeletvondsten uit deze eeuw.

Zeevogels broeden nog talrijk op geïsoleerde rotsen voor de kust, met name op Boatswain Bird Island, waar onder andere drie soorten rotspelikanen, twee soorten keerkingvogels, noddy's en de endemische Ascensionfregatvogels broeden.

De stranden van Ascension worden een groot deel van het jaar bezocht door zeeschildpadden, die er hun eieren komen leggen.



Kaapverdische Eilanden

De Kaapverdische Eilanden liggen 500 km ten westen van de Afrikaanse kust, ongeveer ter hoogte van Cap Vert in Senegal. Er zijn 10 grotere bewoonde eilanden en talloze onbewoonde kleinere, waar nog behoorlijke populaties zeevogels huizen. De eilanden waren Portugees, maar vormen nu een (buitengeoon arme) onafhankelijke Afrikaanse natie. Ze zijn een voort- zetting van de Sahelzone, met zeer weinig regenval, die bovendien zeer onregelmatig is. Jarenlange catastrofale droogte kan gevolgd worden door een gigantische stortbui, waarin alle regen voor vele jaren in een paar uur naar beneden komt. De eilanden verschillen sterk in karakter. Sommige zijn vlak en woestijnachtig, andere zijn bergachtig en zeer ruig. De hoogste top bevindt zich op het eiland Fogo, een actieve vulkaan die tot 2800 m hoogte reikt, met de meest merkwaardige zwarte landschappen. In de caldera, op 2000 m hoogte, verbouwt men druiven waarvan zelfs een lokale wijn wordt gemaakt.

Zeevogels zijn de endemische Kaapverdische pijlstormvogel, de bruine gent, de fregatvogel, de roodsnavelkeerkringvogel en vele soorten kleinere stormvogels. De met uitsterven bedreigde Fae's stormvogel broedt hoog in de bergen. Helaas gelooft de lokale bevolking dat het vet van de kuikens een geneeskrachtige werking heeft.



Copyright Albert Beintema, februari 1997,1998